Zorg en Welzijn

Maatschappelijk effect

In programma Zorg & Welzijn willen we bereiken dat mensen zo veel mogelijk zelf de regie over hun leven kunnen voeren en mee kunnen doen in de samenleving. Waar dat kan op eigen kracht, of anders met hulp van mensen uit hun sociale netwerk. Mensen die hiertoe niet (volledig) in staat zijn, vanwege een beperking, (psycho)sociale problemen, of een achterstandssituatie, bieden we ondersteuning om hun zelfregie en participatie te bevorderen. Die ondersteuning is bij voorkeur zo licht en zo dichtbij mogelijk, preventief als het kan, curatief als het nodig is.

Wat Doen We

Startklaar voor de decentralisaties

In 2013 en 2014 hebben we ons voorbereid op de decentralisaties van de functies Begeleiding en Inloop uit de AWBZ, de Jeugdzorg en in 2014 ook op het Beschermd wonen GGZ. Om op 1 januari 2015 startklaar te zijn voor deze omvangrijke nieuwe taken hebben we om te beginnen een stevige basisinfrastructuur neergezet voor informatie en advies en toegang tot zorg en ondersteuning, met de Stips voor informatie & advies, de sociale wijkteams voor lichtere ondersteuningsvragen en de regieteams voor meervoudige complexe problemen. Volgens het principe zo licht en zo dichtbij mogelijk, is deze structuur in een opschalingsmodel van licht naar zwaar en gebiedsgericht opgezet. Naast de Stips, sociale wijkteams en regieteams maken ook de zorgadviesteams op de scholen, de huisarts en het Veiligheidshuis deel uit van de toegangspoort tot zorg en ondersteuning.

Onze Wmo-verordening en werkwijze voor toegang tot ondersteuning en zorg zijn vanaf 2015 ‘gekanteld’: Bij de toegang onderzoeken we altijd eerst wat iemand zelf kan doen om beter de regie over zijn leven te voeren, welke bijdrage zijn sociale netwerk daaraan kan leveren en welke algemeen toegankelijke voorzieningen toereikende ondersteuning bieden en - pas dan - of een maatwerkvoorziening nodig is. Dat noemen we: gewoon doen wat nodig is.

Verder hebben we afspraken gemaakt met de aanbieders van Inloop, Begeleiding, Jeugdzorg, Beschermd wonen en Cliëntondersteuning voor mensen met een beperking over het leveren van deze ondersteuning. Een aantal functies, zoals de Basisdagbesteding voor ouderen en de Inloopfunctie bieden we op wijkniveau en zo veel mogelijk geïntegreerd met bestaande voorzieningen aan. De cliëntondersteuning voor mensen met een beperking bedden we in in onze wijkgerichte ondersteuningsstructuur, in het bijzonder de Stips en sociale wijkteams. Voor individuele ondersteuning, zoals begeleiding en individuele jeugdhulp, werken de aanbieders vanaf 2015 samen in integrale gebiedsgerichte teams, die in een wijk alle ondersteuning kunnen aanbieden die mensen nodig hebben.

Zeer specialistische zorg en ondersteuning, zoals residentiële en justitiële jeugdzorg, jeugd GGZ, meldingen van kindermishandeling en beschermd wonen voor mensen met een ernstige psychiatrische aandoening hebben we niet gebiedsgericht georganiseerd, maar op regionaal niveau ingekocht.

Dat we klaar zijn voor de decentralisaties betekent natuurlijk niet dat het werk af is. In de paragraaf: wat gaan we anders doen gaan we uitgebreid in op de transformatie na de decentralisaties.

Onze bestaande taken op het gebied van zorg & welzijn zijn onderdeel van de nieuwe structuur voor zorg en ondersteuning of daarmee in samenhang gebracht.

Brede basis welzijn, publieke gezondheid, preventief jeugdbeleid en diversiteit

We zorgen om te beginnen dat er in de stad een brede basis is van laagdrempelige, algemeen toegankelijke voorzieningen voor ontmoeting, ontplooiing, informatie & advies en lichte, preventieve vormen van ondersteuning. Het gaat dan om ons welzijnsaanbod, vrijwillig jeugdwerk, preventief jeugdbeleid e.d. We bieden ruimte aan kleine initiatieven op het gebied van welzijn, vrijwilligerswerk, diversiteit en jeugd.

Deze basis is zo veel mogelijk gebiedsgericht georganiseerd. We willen ermee bereiken dat iedere Nijmegenaar mee kan doen in de samenleving, dat onze voorzieningen voor iedereen toegankelijk zijn en willen voorkomen dat beginnende problemen escaleren en er daardoor zwaardere zorg of ondersteuning nodig is. We bevorderen de gezondheid van Nijmegenaren op die onderdelen waar de meeste gezondheidswinst te behalen is: een gezonde leefstijl en minder overgewicht, tegengaan van alcoholgebruik door jongeren, bevorderen van mentale gezondheid en het verkleinen van gezondheidsverschillen.

We bevorderen de eigen kracht door vrijwilligerswerk te faciliteren en mantelzorgers en zorgvrijwilligers te ondersteunen en te ontlasten.

Om te zorgen dat iedereen kan meedoen, bevorderen we de participatie van inwoners met een andere culturele achtergrond, de maatschappelijke acceptatie van mensen met een andere seksuele geaardheid en zorgen we dat vluchtelingen en asielzoekers snel en adequaat hun weg weten te vinden in Nijmegen. We stimuleren interculturalisatie in organisaties die in onze opdracht werken en bij onszelf, gelijke behandeling en het voorkomen van discriminatie.

We bieden informatie en advies ter bevordering van participatie en zelfredaamheid en vele vormen van lichte individuele ondersteuning aan zoals jeugdgezondheidszorg op consultatiebureaus en scholen, algemeen maatschappelijk werk, ouderenadvies, jeugd- en opvoedhulp, observatie & diagnostiek voor jeugd en cliëntondersteuning.

Individuele ondersteuning

De bestaande individuele voorzieningen: rolstoelen, woningaanpassingen, vervoersvoorzieningen en hulp bij het huishouden, blijven we beschikbaar stellen. Vanaf 2015 loopt dit ook via het sociaal wijkteam, waar de Wmo-consulent dan deel van uitmaakt. En zoals gezegd bieden we de nieuwe vormen van individuele ondersteuning: de begeleiding, (arbeidsmatige) dagbesteding en kortdurend verblijf voor volwassenen en jeugdigen met een beperking, de jeugdGGZ en de zorg voor lichtverstandelijk beperkte jeugdigen, zo veel mogelijk gebiedsgericht aan via de ambulante ondersteuninsgteams.

Zorgvangnet

Mensen die kampen met complexe, meervoudige problemen en die niet in staat zijn zelf de regie over hun leven te voeren of die als gevolg van deze problemen geen dak meer boven hun hoofd hebben, bieden we intensieve begeleiding en zo nodig opvang om de problemen op te lossen en terug te keren naar een zo zelfstandig mogelijk bestaan.

De regieteams voor de aanpak van overlast en multiprobleemhuishoudens zijn onderdeel van de toegangspoort tot zorg en ondersteuning. Zij organiseren en coördineren de zorg aan huishoudens in een multiprobleemsituatie. Hierbij is intensieve samenwerking nodig met veel partijen, zoals de corporaties, de jeugdzorg, schuldhulpverlening, de politie etc. om te kunnen werken volgens het principe één gezin één plan.

Voor dak- en thuislozen hebben we opvangvoorzieningen, waar mensen tijdelijk kunnen verblijven en begeleid worden naar een zo zelfstandig mogelijk bestaan of doorstroom naar langdurige zorg. Via bemoeizorg leiden we hen toe naar zorg en ondersteuning.

Ook mensen die als gevolg van huiselijk geweld de thuissituatie hebben moeten verlaten bieden we opvang. We waren al verantwoordelijk voor het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld onder volwassenen en ouderen. In 2015 komt daar de verantwoordelijkheid voor het voorkomen en bestrijden van kindermishandeling bij, evenals de zorg voor kinderen die niet bij hun ouders kunnen wonen, al dan niet vanwege een jeugdbeschermings- of -reclasseringsmaatregel.

Mensen die vanwege een ernstige psychiatrische aandoening niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, bieden we een beschermde woonomgeving. Dit is vanaf 2015 een nieuwe centrumgemeentetaak voor Nijmegen.

Uitgeprocedeerden die binding met Nijmegen hebben en aanknopingspunten voor perspectief op verblijf, bieden we noodopvang.

Indicatoren

De monitoring van de maatschappelijke effecten van het programma Zorg en Welzijn is met de komende decentralisaties sterk in ontwikkeling. Nieuwe taken en bestaand programma lopen in elkaar over en de decentraliaties en sturing daarop vragen om meer zicht op de effecten maar ook in deze startfase op kengetallen in de uitvoering. We stellen voor 2015 voor de volgende indicatoren op te nemen en deze in overleg met de Raad verder te ontwikkelen. De indicatoren zijn gebaseerd op een drietal clusters: ontwikkelingen doelgroepen sociaal domein, uitvoering transities en het sociale beeld van de bevolking.

Ontwikkeling doelgroepen sociaal domein

1. Ontwikkeling cliëntrelaties in het sociaal domein:
Het aandeel huishoudens waarbinnen een of meer cliëntrelaties bestaan m.b.t. regelingen en trajecten op het gebied van zorg, werk, inkomen en jeugd. De bron is het Sociaal Statistisch Bestand van de gemeente (O&S), waarbinnen in 2013 gegevens uit 19 bestanden zijn opgenomen. Op basis van het SSB13 was het betreffende aandeel 34% (Stads- en Wijkmonitor 2013, hoofdstuk Zorg en Gezondheid).

2. Ontwikkeling concentratie van cliëntrelaties in het sociaal domein:
Het aandeel huishoudens waarbinnen vijf of cliëntrelaties bestaan m.b.t. regelingen en trajecten op het gebied van zorg, werk, inkomen en jeugd. De bron is het Sociaal Statistisch Bestand. Op basis van het SSB13 was het aandeel 5% (Stads- en Wijkmonitor 2013, hoofdstuk Zorg en Gezondheid).

3. Ontwikkeling cliëntrelaties niet-westerse huishoudens in het sociaal domein:
Het aandeel niet-westers huishoudens waarbinnen een of meer cliëntrelaties bestaan m.b.t. regelingen en trajecten op het gebied van zorg, werk, inkomen en jeugd. Deze groep is sterk oververtegenwoordigd. Het stedelijk gemiddelde was 34%, voor alleenstaanden en tweepersoonshuishoudens van niet westerse afkomst was dit ruim 60% en voor huishoudens met kinderen circa 75% (Stads- en Wijkmonitor 2013, hoofdstuk Zorg en Gezondheid).

4. Ontwikkeling cliëntenaantallen transities (3D’s)
Aantallen transitiecliënten uitgesplitst naar de drie hoofdstromen (Wmo/Awbz, Jeugd en Participatie). Daarbij optelling en eventueel onderscheid naar “oude cliënten gemeente”, “overgekomen van Awbz en Jeugdzorg” en “nieuwe cliënten vanaf 2015”. Als bron moeten de diverse registraties van de werksoorten dienen.

Uitvoering transities

5. Ontwikkeling zelfredzaamheid binnen aanpak Sociale Wijkteams:
Aandeel uitvoeringsplannen binnen Sociale Wijkteams waarbinnen zelfredzaamheid (eigen kracht, netwerk, vrijwilligers) is toegepast. In de in 2013 uitgevoerde quickscan van de SWTs (O&S) was het aandeel plannen dat uitsluitend via zelfredzaamheid was uitgevoerd 10 tot 15%. Daarnaast was er een op dat moment niet vast te stellen deel dat gedeeltelijk zo is aangepakt. De bron voor deze indicator is het registratiebestand van de sociale wijkteams.

6. Ontwikkeling resultaten aanpak Sociale Wijkteams
Aandeel uitvoeringsplannen waarbinnen verbetering van de situatie is gerealiseerd op de leefgebieden waarop de cliënt ondersteuning nodig had. Ook hierbij is het registratiebestand van de sociale wijkteams de bron (scores op de leefgebieden, voorzover mogelijk op basis van de ZelfRedzaamheidsMatrix). In de quickscan van 2013 kon hierover nog geen informatie worden opgenomen.

7. Functioneren toegangspoorten
Aantal aanmeldingen en doorverwijzingen uitgesplitst naar toegangspoorten (Sociale Wijkteams, ZATs, huisartsen, overige). Bron: registraties toegangspoorten.

8. Integrale aanpak
Aantal huishoudens dat op meerdere leefgebieden ondersteuning heeft gekregen en waar integrale aanpak op van toepassing is. Als bronnen gelden de registraties van de Sociale Wijkteams, Regieteams en het Veiligheidshuis.

9. Minder zware zorg
Aandeel huishoudens binnen aanpak Sociale Wijkteams en Regieteams waar tweedelijnszorg op van toepassing is (nog te ontwikkelen indicator; bron: registraties SWTs en Regieteams).

Sociaal beeld bevolking

10. Gezondheid
Aandeel inwoners dat zich gezond voelt, uitgesplitst naar opleiding. In de Stads- en Wijkmonitor was dit 76% voor de totale bevolking en 45 tot 64% voor de lagere opleidingscategorieën (bron GGD-monitor en Burgerpeiling; Stads- en Wijkmonitor 2013, hoofdstuk Gezondheid en Zorg).

11. Zelf/samenredzaamheid
Aandeel bevolking dat voor zichzelf kan zorgen, uitgesplitst naar leeftijd. In de Burgerpeiling van 2013 was dit zo’n 90% voor de totale bevolking en 70% voor de 75+ers (Stads- en Wijkmonitor 2013, hoofdstuk Sociale Omgeving).

12. Inzet voor anderen
Aandeel inwoners dat zich op een of andere manier inzet voor anderen (vrijwilligerswerk, mantelzorg, overige hulp, buurtactiviteiten). In 2013 was dit 53% (Burgerpeiling, Stads- en Wijkmonitor 2013, hoofdstuk Sociale Omgeving).

13. Samenleven in buurt
Waardering sociaal klimaat. Hiervoor bestaat al lang de schaalscore “sociale kwaliteit”, op basis van een viertal deelvragen uit de Burgerpeiling over het samenleven in de buurt. In 2013 was de score 5,9 (Stads- en Wijkmonitor 2013, hoofdstuk Sociale Omgeving).

14. Leefstijl
Aandeel volwassenen en jeugdigen met overgewicht. In de laatste GGD-peilingen bleek 40% van de volwassenen overgewicht te hebben (30% matig, 10% ernstig). Bij de jeugd was dit resp. 12 en 3%.

15. Eenzaamheid
Aandeel mensen dat zich eenzaam voelt, uitgesplitst naar leeftijd. In de laatste GGDmonitor van 2012 gaf 8% aan zich ernstig eenzaam te voelen en 30% matig. Bij 75+ers is m.n. het aandeel matig eenzamen groter (43 tot 52%).

16. Zelfstandig wonen ouderen
Percentage ouderen dat woont in instellingen versus aandeel dat zelfstandig woont, uitgesplitst naar leeftijdsgroepen. Nog te operationaliseren indicator, op basis van GBA en eventueel aanvullend andere bestanden.

Wat gaan we anders doen

Bedragen * € 1.000,-2015201620172018
Dekking uit wctg-822-822-822-822
Diversiteit en interculturalisatie133133133133
Iedereen gelijk30303030
Jongerenwerk200200200200
Minder eigen bijdragen lage inkomens822822822822
Noodopvang uitgeprocedeerde asielzoekres60606060
Onderzoeksopdracht jeugd deels verlagen100100100100
Welzijn ouderen100100100100
Totaal 623623623623

Per 1 januari 2015 krijgen we er een omvangrijk takenpakket bij: de volledige jeugdzorg, inclusief justitiële jeugdzorg, jeugdGGZ en het voorkomen en bestrijden van kindermishandeling, de inloop en begeleiding voor mensen met een beperking en het beschermd wonen GGZ. Samen met de zorgverzekeraars worden we als gemeenten verantwoordelijk voor alle zorg en ondersteuning die buiten zorginstellingen plaatsvindt.

In 2015 zal de focus dus sterk liggen op goed implementeren van de nieuwe taken, monitoren van resultaten en budget, bijsturen waar nodig en vernieuwen. In ons nieuwe Wmo-beleidsplan hebben we uitgebreid beschreven wat onze plannen daarvoor zijn de komende jaren.

Nieuwe taken

In 2015 pakken we de volgende zaken met betrekking tot de nieuwe taken op:

De sociale wijkteams die in alle wijken gestart zijn, gaan we doorontwikkelen zodat zij ook goed geëquipeerd zijn voor hun veel bredere takenpakket en versterken met expertise uit het jeugddomein. 2015 zal in het teken staan van het verder operationaliseren van de toegang en aanscherpen van de werkprocessen voor de toegang. Een goed op elkaar aansluitend pakket van ondersteuning en hulp en daarmee ook eventueel het integreren van taken, heeft daarbij onze voortdurende aandacht. Ook het op- en afschalen tussen sociaal wijkteam en regieteam lijnen we goed uit.

In 2014 is een aantal Stips gerealiseerd. Naast de sociale wijkteams zetten we in 2015 een volgende stap in de stadsbrede uitrol van de Stips. We ronden de oriëntatie op de meest wenselijke organisatievorm waarin de samenwerking in de Sociale Wijkteams en de Stips kan worden vormgegeven af en starten met de implementatie daarvan. Voor het overgangsjaar 2015 kiezen we voor een samenwerkings- of coördinatieovereenkomst.

Zoals gezegd, zijn we samen met de zorgverzekeraars verantwoordelijk voor het nieuwe stelsel van zorg en ondersteuning. De goede samenwerking met VGZ zetten we dan ook voort en breiden we uit. We hebben een nieuw convenant afgesloten met VGZ over de sociale wijkteams,( basis-)GGZ, kwetsbare ouderen en preventief gezondheidsbeleid. De samenwerking blijft gericht op de gezamenlijke transformatie en de raakvlakken tussen Wmo, Wet Publieke Gezondheid en de Zorgverzekeringswet. Ook verbreden we de samenwerking naar de regio, voorlopig gericht op inzet van de wijkverpleegkundige in de sociale wijkteams.

We monitoren zorgvuldig de inzet van ondersteuning op volume en kosten, zodat we tijdig kunnen bijsturen en knelpunten aankaarten bij het rijk. We stellen een Wmo- en jeugdreserve in om incidentele tekorten op te vangen.

We willen per 2015 niet alleen de taken overnemen, maar het stelsel ook transformeren tot goede zorg dichtbij mensen. Ons belangrijkste doel is de zorg en ondersteuning voor de meest kwetsbare mensen zeker te stellen en de kwaliteit op peil te houden, ondanks de kortingen op de budgetten. Hiervoor moeten we de zorg anders organiseren: zo licht en preventief mogelijk en georganiseerd op basis van samenwerking tussen zorgaanbieders in plaats van concurrentie. Door deze bewegingen van ver naar dichtbij, van zwaar naar licht, van concurrentie naar samenwerking en door slimmer te werken en minder bureaucratie willen we de nieuwe taken uit kunnen voeren met de (gekorte) budgetten die we ervoor krijgen. Bovendien willen we geen financiële drempels opwerpen voor mensen met een laag inkomen die zorg nodig hebben. Daarom laten we de eigen bijdrage voor maatwerkvoorzieningen pas meestijgen met het inkomen als mensen een inkomen hebben dat hoger is dan het grensinkomen voor de zorgtoeslag.

In 2015 geven we deze transformatie vorm door de individuele ondersteuning in gebiedsgerichte integrale teams voor jeugd en volwassenen te organiseren en ruimte te bieden aan kleine, innovatieve aanbieders. De arbeidsmatige dagbesteding brengen we onder bij het Werkbedrijf om een doorlopende lijn neer te zetten met de Participatiewet, zodat mensen zich naar vermogen optimaal kunnen ontwikkelen. De inloop en ontwikkelingsgerichte dagbesteding organiseren we in de wijk, waar mogelijk voor gemixte doelgroepen, in bestaande voorzieningen in de wijken en met flexibele arrangementen die passen bij de behoeften van mensen.

In het EIF-project werken we aan het terugdringen van de oververtegenwoordiging van allochtonen in de zwaardere vormen van zorg, door meer cultuursensitieve GGZ en door lichtere ondersteuning beter toegankelijk te maken voor hen.

In de jeugdzorg willen we naast betere samenwerking en efficiency de beweging van zwaar naar licht goed in gang zetten en geven de aanbieders de opdracht om te komen tot toekomstbestendige residentiële jeugdzorg en pleegzorg, met minder traditionele terreingebonden jeugdzorgvoorzieningen, aantrekkelijker pleegzorg, korter verblijf in en flexibeler inzet van residentiële jeugdzorg, met nieuwe vormen als gezinshuizen. Ook verwachten we dat zij de problematiek rond de 18-jaargrens aanpakken, zodat jongeren dan niet tussen de wal en het schip vallen en opnieuw in de problemen komen of zelfs dakloos raken.

Ook zetten we fors in op 'zelfregie en samenredzaamheid'. Als mensen samen met hun netwerk zelf hun eigen plan opstellen, zijn oplossingen duurzamer en daarmee uiteindelijk goedkoper. Deze transformatie geven we op een zorgvuldige wijze vorm. We werken zo veel mogelijk indicatievrij om bureaucratie terug te dringen.

In de nieuwe taak beschermd wonen GGZ ligt de focus eerst op continuïteit van zorg. Het gaat immers om zeer kwetsbare mensen en niet alleen om hun zorg, maar ook om hun woonplek. We maken afspraken met de regiogemeenten in onze maatschappelijke opvangregio over toeleiding naar beschermd wonen, uitstroom naar alle gemeenten in de regio, met goed aansluitende ambulante ondersteuning en besteding van de middelen. Met de zorgverzekeraar maken we afspraken over inzet van behandeling wanneer dat nodig is en met de corporaties gaan we in gesprek over hoe we zelfstandig wonen voor mensen die kunnen doorstromen, goed mogelijk kunnen maken. In 2015 stellen we een meerjarig beleidsplan op over het beschermd wonen waarin ook nadrukkelijk aandacht zal zijn voor innovatie, gericht op participatie, kwaliteit van leven, ambulantisering waar dit mogelijk is en maatschappelijke acceptatie.

Mensen die zorg en ondersteuning nodig hebben betrekken we actief bij ons beleid. Daarvoor ontwikkelen we de bestaande adviesstructuur door om verbindingen op wijk- stads- en regionaal niveau te kunnen maken, nieuwe groepen te bereiken en betrekken en nieuwe vormen van cliëntparticipatie ook met inzet van ervaringsdeskundigheid te ontwikkelen.

Bestaande taken

Ook in onze al bestaande taken voeren we veranderingen door die samenhangen met de transities.

Om te beginnen hebben we in het coalitieakkoord extra middelen beschikbaar gesteld voor welzijn, preventief jeugdbeleid, diversiteit en maatschappelijke opvangvoorzieningen om de brede basis en het zorgvangnet te verstevigen:

  • € 100.000 structureel extra voor kleine welzijnsinitiatieven, die we voornamelijk willen inzetten ten behoeve van ouderen in verband met het scheiden van wonen en zorg;
  • Structureel € 133.000 extra voor diversiteit. Deze middelen gebruiken we vooral voor het versterken van de basis: het ondersteunen van de informele netwerken en zelforganisaties van kwetsbare personen en groepen.
  • Structureel € 30.000 erbij voor Ieder1gelijk, tegelijkertijd spreken we ook af dat zij meer werk moeten maken van het werven van eigen middelen. Met deze € 30.000 zal Ieder1gelijk zich vooral richten op gelijke toegankelijkheid van voorzieningen en het tegengaan van discriminatie op de arbeidsmarkt;
  • € 200.000 structureel extra voor jongerenwerk in de wijken. In  2014 was er € 200.000 incidenteel beschikbaar voor jeugd, die hebben we ingezet voor een uitbreiding van jongerenwerk in Noord en voor meiden in Dukenburg en Neerbosch-Oost, uitbreiding Op jezelf in Neerbosch Oost en professionalisering van het jongerenbeheer in Dukenburg. Vanaf 2015 willen we de extra middelen inzetten om deze inzet structureel te maken;
  • Verlaging van de onderzoeksopdracht Onderwijs & Jeugd met € 100.000 te behoeve van behoud van het (vrijwillig) jeugdwerk in de wijken;
  • € 100.000 voor renovatie van het NuNN-gebouw, deze middelen zetten we in om noodzakelijke renovatie van het gebouw te bekostigen;
  • € 650.000 investeringsbudget voor een tweede locatie voor Skaeve huse in Nijmegen Noord. Op deze locatie realiseren we 7 skaeve huse;
  • € 30.000 om de schakelfunctionaris voor de nazorg aan ex-gedetineerden te behouden;
  • € 60.000 voor extra noodopvang en vergoeding van de eigen bijdrage voor geneesmiddelen voor uitgeprocedeerden.

In de huishoudelijke hulp gaan we sturen op het beoogde resultaat: een schoon en net huis, in plaats van te leveren uren. We monitoren op klanttevredenheid. Diensten zoals boodschappen doen, wassen & strijken en maaltijdvoorziening willen we via voorzieningen en initiatieven in de wijk laten uitvoeren. We maken gebruik van de Huishoudelijke Hulptoelage die het Rijk beschikbaar heeft gesteld.

Met de transities worden we ook verantwoordelijk voor het vervoer van en naar dagbesteding en voorzieningen voor jeugdzorg. Dit willen we bundelen met het Wmo- en leerlingenvervoer tot één systeem van gebundeld toegankelijk vervoer, geïntegreerd met bestaande vrijwillige initiatieven op dit gebied. Door zorg & ondersteuning zo veel mogelijk dichtbij, in de wijk te organiseren, beperken we bovendien de vervoersbehoefte. In plaats van de huidige vervoerskostenvergoeding komt er een vervoerspas waarmee mensen met een beperking met korting kunnen reizen met het openbaar vervoer.

Vanwege de hervorming van de langdurige zorg en de vergrijzing hebben we een belangrijke opgave om mensen met een zorgvraag zo goed en zo zelfstandig mogelijk te kunnen laten wonen in hun eigen omgeving.

Door het verdwijnen van de indicaties ZZP 1, 2 en 3 ontbreken de faciliteiten en de directe nabijheid van de begeleiding uit een intramurale instelling, die van belang zijn voor de dagelijkse regie. Deze mensen zullen daarom in toenemende mate een beroep doen op individuele ondersteuning en voorzieningen en behoefte hebben aan toegankelijk welzijnsaanbod in de wijken. Er wordt dan ook verwacht dat er meer vraag zal zijn naar de voorzieningen. We geven daarom prioriteit aan de verbinding wonen-welzijn- zorg: we streven ernaar dat mensen die zorg nodig hebben zoveel mogelijk in de eigen wijk kunnen blijven wonen, met een passend voorzieningenniveau in de wijk. Het Nijmeegse planningskader ‘Wonen met Zorg’ is daarvoor de basis. Onze algemene en maatwerkvoorzieningen uit de Wmo en de Jeugdwet moeten erop toegesneden zijn dat mensen langer zo zelfstandig mogelijk kunnen blijven wonen in hun eigen omgeving.

Er zal ook een grotere druk op mantelzorgers ontstaan omdat mensen met een zwaardere zorgbehoefte thuis blijven wonen. Gezien de verantwoordelijkheid van de gemeente voor de ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers zullen de effecten van de extramuralisering een groter ondersteuningsaanbod vanuit de Wmo vereisen. Om de blijk van waardering voor mantelzorgers een goede invulling te geven, vragen we mantelzorgers zelf welke vorm van waardering zij het liefste willen.

In 2015 gaan we aan de slag met de uitvoering van de regiovisie voor het voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld. Dit wordt steeds meer een taak van alle gemeenten, zeker nu met de decentralisatie van de jeugdzorg het voorkomen en bestrijden van kindermishandeling een gemeentelijke taak wordt. Per 2015 start het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld en Kindermishandeling, dat alle zorgmeldingen gaat ontvangen, onderzoek doet en toeleidt naar passende hulp.

Vanwege het nieuwe verdeelmodel voor de vrouwenopvang, maken we afspraken met de Gelderse centrumgemeenten over het in stand houden van een goede infrastructuur om slachtoffers van huiselijk geweld op te vangen. Ook zetten we meer in op ambulante hulp in plaats van opvang, wanneer de veiligheid dat toelaat.

In de maatschappelijke opvang gaan we vanaf 2015 trajectmatig werken en de woonbegeleiding aan laten sluiten op de gebiedsgerichte ambulante ondersteuningsteams, voor een goede aansluiting na afloop van het opvangtraject.

De decentralisatieopgaven en de daarbij behorende budgetten, hebben een grote impact op de bestaande producten binnen het programma. In het najaar van 2014 volgt nadere besluitvorming over de verdeling van budgetten over de producten.

TODO: Navigatie

Wat gaat het kosten

Zorg en WelzijnRekening Begroot
Bedragen * 1.000.000201320142015201620172018
Financiële Lasten per product
Diversiteit1,71,61,51,51,51,5
Individuele voorzieningen WMO22,723,940,838,538,238,2
Jeugd4,86,146,946,145,745,7
Maatschappelijke opvang14,115,063,562,862,962,9
Publieke Gezondheid6,56,56,56,56,46,5
Welzijn14,014,911,511,311,211,2
Totaal Lasten Programma63,867,9170,7166,7165,8165,9
Financiële Baten per product
Diversiteit0,20,20,00,00,00,0
Individuele voorzieningen WMO3,33,32,22,22,22,2
Jeugd0,61,61,10,10,10,1
Maatschappelijke opvang1,10,90,80,60,60,6
Publieke Gezondheid0,20,20,00,00,00,0
Welzijn0,52,00,10,00,00,0
Totaal Baten Programma5,88,14,02,92,92,9
Totaal programma-58,0-59,9-166,7-163,8-163,0-163,0

Financiële toelichting

De gemeente Nijmegen streeft naar een maatschappij waarin alle inwoners mee kunnen doen; voor iedereen is een plek in onze stad.

Met ingang van 1 januari 2015 worden de gemeenten op grond van de Wmo 2015, de Jeugdwet en de Participatiewet integraal verantwoordelijk voor het sociaal domein. De nieuwe taken van de Wmo/Awbz en de Jeugdwet vallen onder het programma Zorg en Welzijn. De decentralisaties gaan gepaard met een overheveling van middelen van het Rijk naar de gemeenten. Met de meicirculaire 2014 heeft het ministerie van BZK enkel de bedragen voor het jaar 2015 bekend gemaakt. Nijmegen ontvangt voor het jaar 2015 in totaal € 110,5 miljoen voor de decentralisatie-opgaven Wmo en Jeugd. Het betreft de navolgende integratie-uitkeringen:

  • Wmo 2015: € 20.886.000. Hiervan gaat € 17.354.000 naar het programma Z&W en € 3.532.000 naar de programma's Economie en Werk en Inkomen en Armoedebestrijding (dekking Wtcg en arbeidsmatige dagbesteding).
  • Wmo/centrumfunctie beschermd wonen: € 48.348.000
  • Jeugd: € 41.236.000

Deze bedragen komen in 2015 bovenop de bestaande programmamiddelen van € 63,8 miljoen waardoor er op het programma in totaal een bedrag van € 170,7 miljoen beschikbaar is.

Voor de jaren 2016 t/m 2018 zijn de bovenstaande decentralisatiebedragen vanuit de meicirculaire voorlopig aangehouden in de begroting. In de komende september- en decembercirculaire zal het Rijk de bedragen voor het jaar 2016 bekend maken. Voor de jeugdzorg is bekend dat het Rijk het macrobudget nog verder neerwaarts zal bijstellen bovenop de doorgevoerde korting van het macrobudget in 2015. Daarnaast is de verdeling van de macrobudgetten Jeugdzorg en Wmo 2015 gebaseerd op historische gegevens (historisch verdeelmodel), maar zal het macrobudget 2016 worden verdeeld op basis van objectieve criteria (objectief verdeelmodel). In december 2014 zal het budget 2016 voor de gemeente Nijmegen bekend worden gemaakt en zal de aanvullende korting én objectieve verdeelmaatstaven hierin zijn verwerkt. Omdat nog onduidelijk is hoe hoog het budget van de Jeugdzorg in 2016 e.v. voor Nijmegen zal zijn, is hier in de aanbesteding van de percelen rekening gehouden en is deze gebaseerd op het beschikbare budget van 2015 en worden er slechts financiële verplichtingen voor de duur van 1 jaar aangegaan.

Ten opzichte van 2014 nemen de lasten van het programma in 2015 toe met € 102,8 miljoen. Deze significante stijging van de lasten wordt voornamelijk veroorzaakt door de extra middelen van € 106,9 miljoen vanuit de decentralisaties Wmo en Jeugd voor het programma Z&W. Tegelijkertijd zien we een teruggang van de begrote lasten op de bestaande beleidsvelden met € 4,2 miljoen. Deze afname wordt voornamelijk veroorzaakt door de diverse bezuinigingstaakstellingen die de Raad via de perspectiefnota’s in 2013 en 2014 meerjarig heeft vastgesteld. Het betreft hier de bezuinigingstaakstelling ‘herstructureren veld maatschappelijke instellingen’ uit de perspectiefnota 2013 en de bezuinigingen op de subsidiebudgetten en budget huishoudelijke hulp uit de perspectiefnota 2014. Daartegenover heeft de Raad met het coalitieakkoord 2014-2018 extra middelen beschikbaar gesteld om de financiële druk op enkele producten/beleidsvelden te verminderen. Tenslotte wordt de afname van de lasten veroorzaakt door de afloop van externe bijdragen vanuit het Rijk en de Provincie voor de voorbereiding op de transitieopgaven (Awbz en Jeugdzorg) en het wegvallen van de door de Raad tijdelijk beschikbaar gestelde middelen voor de 'opbouw van de sociale wijkteams' (perspectiefnota 2013).

Het lastenniveau daalt in 2016 verder met nog eens € 4,0 miljoen en in 2017 met € 0,8 miljoen. Vanaf 2017 resteert er structureel een bedrag van € 165,8 miljoen.

De daling van de lasten in 2016 heeft voornamelijk te maken met de oplopende bezuinigingstaakstellingen uit de perspectiefnota 2014. Hierdoor nemen de begrote lasten verder af met € 3,3 miljoen. Daarnaast nemen de lasten af met € 1 miljoen vanwege de afloop van de RSA projecten en het EIF project in 2015.

De daling van de lasten in 2017 wordt voornamelijk veroorzaakt door de oplopende bezuinigingstaakstellingen uit de perspectiefnota 2014. Hierdoor nemen de begrote lasten verder af met € 0,5 miljoen. Deze afname is inclusief de onderzoeksopdracht ‘onderwijs en ondersteuning jeugd’ uit de perspectiefnota 2014. Hier is een taakstellende bezuiniging aan gekoppeld van € 385.000. Deze onderzoeksopdracht is met het coalitieakkoord echter verlaagd met € 100.000 naar € 285.000.

Ten opzichte van 2014 nemen de baten van het programma in 2015 af met € 4,1 miljoen. Deze afname heeft voornamelijk te maken met het wegvallen van de externe bijdragen vanuit het Rijk en de Provincie voor de voorbereiding op de transitieopgaven (Awbz en Jeugdzorg). Daarnaast wordt de afname veroorzaakt door een vermindering van de provinciale bijdrage voor de RSA projecten 'Steen met Steun' en 'Jeugd, actief en kansrijk' en het EIF-project van het Europees Integratie Fonds. Tenslotte nemen de baten af door de lagere geraamde eigen bijdragen op het product Individuele voorzieningen, wat in lijn ligt met het lagere budget voor de huishoudelijke hulp.

Vanaf 2016 laten de begrote baten een stabiel beeld zien van € 2,9 miljoen.